Door de slecht gestelde onderzoeksvragen geeft het op 23 maart 2018 verschenen evaluatierapport van de werkkostenregeling een onvolledig beeld van de problemen waar de praktijk tegenaan loopt. Dat vindt Léone Bource, loonbelastingspecialiste bij Bource-Snikkenburg Tax Advisors. Door dit onvolledige beeld is ook de conclusie dat hooguit ruimte is voor kleine aanpassingen omdat werkgevers gebaat zijn bij rust, voor twijfel vatbaar.

Kritiek op onderzoeksvragen

De nadruk van de onderzoeksvragen voor de evaluatie van de werkkostenregeling (WKR) ligt op de administratieve lasten van de regeling, de overschrijding van de vrije ruimte naar sector en omvang van bedrijven en het noodzakelijkheidscriterium. Bource stoort zich aan de in haar ogen slechte vraagstelling. “Echte problemen met bijvoorbeeld het loonbegrip, de gebruikelijkheidstoets en het werkplekcriterium zijn hierdoor maar zijdelings geconstateerd of helemaal niet boven komen drijven.”
“Er is evenmin onderzocht of de WKR leidt tot een toename aan onjuiste aangiftes loonheffingen door onbekendheid met of een onjuiste interpretatie van de WKR,” vervolgt Bource. “Dat de onderzoekers er gemakshalve van uitgaan dat werkgevers die de loonadministratie of de financiële administratie volledig zelf uitvoeren, bekend zijn met de WKR, vind ik te kort door de bocht. En in hoeverre kloppen de gepresenteerde cijfers over kosten en de tijd die werkgevers besteden aan de WKR-administratie als in het onderzoek naar voren komt dat 36% van de werkgevers niet bekend is met de WKR? Er wordt vanuit gegaan dat de externe adviseur dan wel voldoende kennis heeft, maar als de adviseur die de salarisadministratie doet niet dezelfde persoon is die ook de financiële administratie inboekt, gaat die visie nog weleens mank.”

Administratieve lasten en complexiteit

Wat wel heel duidelijk in het evaluatierapport naar voren komt, is dat werkgevers de WKR, in vergelijking met de oude regeling voor vergoedingen en verstrekkingen in de loonbelasting, nauwelijks als een administratieve lastenverlichting ervaren. Volgens intermediairs en medewerkers van de Belastingdienst was de WKR in essentie een goed idee, maar is de regeling in de praktijk te complex geworden. Dat komt door de vele nieuwe begrippen, de verschillende categorieën waar vergoedingen en verstrekkingen onder kunnen vallen en omdat veel administratief bewerkelijke regelingen alsnog, al dan niet door actief lobbyen, in de WKR terecht zijn gekomen. Bource erkent deze signaleringen. “De bij invoer van de WKR beloofde administratieve lastenverlichting is ver te zoeken en knelpunten zijn er veelvuldig. Bovendien is de regeling in een aantal gevallen ingewikkeld en lastig werkbaar.”

Worsteling

Bource noemt als voorbeelden de fiscale behandeling van maaltijden, het twintig-dagencriterium voor ambulante werknemers en de verplichte nacalculatie bij een vergoede OV-kaart. “De praktijk ervaart maaltijden door de diversiteit als lastig. De WKR kent zakelijke en niet zakelijke maaltijden op en buiten de werkvloer en maaltijden met een combinatiefactor van zakelijk en plezier. Het soort maaltijd moet bij elke betreffende factuur en voor elke werknemer die de maaltijd heeft genuttigd worden beoordeeld inclusief een administratieve onderbouwing. En die beoordeling is niet pas op termijn nodig, maar al direct bij de eerste maaltijd. Vooral veel grote werkgevers worstelen hiermee. Een worsteling is ook het 20-dagencriterium voor ambulante werknemers. Deze is ontleend aan een oude reiskostenforfaitregeling voor het woon-werkverkeer die vanwege de ingewikkeldheid per 2004 is afgeschaft. Via de achterdeur heeft de 20-dagenregeling zijn plaats nu heroverd in de WKR. Ook de verplichte nacalculatie voor het privégebruik van een door de werkgever vergoede OV-kaart is een gedoe tot en met. Het aantal dagen dat de werknemer zakelijk heeft gereisd moet worden bepaald en de waarde van de reis (prijs van een retourtje of een andere waarde bij gebruik van een landelijke OV-jaarkaart).”

Onrechtvaardig

Naast complexiteit voelt de WKR op punten onrechtvaardig. “Waarom wordt bijvoorbeeld bedrijfsfitness op de werkplek anders behandeld als fitness buiten de werkplek”, vraagt Bource zich af. “En waarom mag een werkgever die een personeelsfeest geeft op de werkplek dit feest (zonder maaltijd) op nihil waarderen, terwijl de werkgever die genoodzaakt is het personeelsfeest extern te organiseren de vrije ruimte hiervoor moet opofferen? Ook het onderscheid tussen parkeerplaatsen op de werkplek, als de werkgever zich daar wel of daar niet verantwoordelijk voor voelt, en buiten de werkplek is uitermate onlogisch. Bij al deze voorbeelden grijpt de wetgever in het bedrijfsbeleid van de werkgever in, zonder een andere reden dan de fiscale onderbouwing van het verschil in behandeling van een vergelijkbare vergoeding/verstrekking.”

Gebruikelijkheidstoets

Uit het evaluatierapport blijkt dat intermediairs de doelmatigheidsmarge van € 2.400 per persoon ervaren als een welkome invulling van de gebruikelijkheidstoets voor het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in de vrije ruimte. Welkome invulling of niet, de doelmatigheidsmarge is welhaast ingeburgerd als een harde grens en dat is wat Bource betreft onterecht. “Kijkend naar de letter van de wet en de parlementaire toelichting op de WKR mag de werkgever bij het vullen van de vrije ruimte kort gezegd niet afwijken van hetgeen normaal is. Dat biedt meer ruimte dan een doelmatigheidsmarge van € 2.400. Als de wetgever die marge echt voorstaat, dan is een wettelijke verankering voor de broodnodige helderheid gewenst.”

Kleine aanpassingen

In een reactie op het evaluatierapport zegt het kabinet het te betreuren dat de praktijk de WKR niet als administratieve lastenverlichting ervaart en de regeling nog steeds als complex beschouwt. Het kabinet deelt echter ook de conclusie uit het rapport dat werkgevers op dit moment baat hebben bij zoveel mogelijk rust rond de WKR en dat er dus hooguit ruimte is voor kleine aanpassingen. Staatssecretaris Snel (Financiën) schetst alvast enkele vereenvoudigingsmogelijkheden, zoals het niet langer als eindheffingsbestanddeel aanwijzen van vergoedingen en verstrekkingen waarvoor een gerichte vrijstelling geldt. Bource spreekt van een ‘doekje voor het bloeden’ nu dit geen oplossing zal bieden voor de vormvrije aanwijzing van loonbestanddelen in de vrije ruimte. Hoe moet worden aangewezen is nu vaak een eigen interpretatie van de werkgever, zijn adviseur of de Belastinginspecteur. Duidelijke aanwijzingsregels ontbreken en die helderheid moet van de wetgever komen.”

Liever helderheid dan rust

Dat de WKR voor een deel voor eigen interpretatie vatbaar is, is mogelijk het grootste pijnpunt van de hele regeling. De Belastingdienst tracht het nodige te verduidelijken maar ook dat kwalificeert als een eigen interpretatie. Bource: “Liever helderheid dan rust. Daar is de praktijk meer mee gebaat. Een goed startpunt zou een WKR-besluit zijn met heldere regels voor zaken die nu voer zijn voor discussie, te beginnen met het loonbegrip (wat valt nu precies wel en niet onder ‘al hetgeen genoten uit dienstbetrekking’), een duidelijkere uitwerking van de intermediaire kosten en concrete aanwijzingen voor het splitsen van gemengde activiteiten. Die eenheid is vervolgens de ideale basis om de grote knelpunten van de WKR alsnog aan te pakken met als resultaat een voor alle partijen goed werkbare en toekomstbestendige regeling.”
[ Bron: Redacteur Marit Muller  – Naar het artikel]